Het wonder van Rossum

Euphemia is een kind van Hermannus Nijland op het Stegge uit Rossum en Joanna Olde Vrielink, dat in het begin van haar prille leven op de rand van de dood heeft geleefd. Nadat de pastoor en kapelaan op bezoek kwamen en enkele plechtigheden uitvoerden, kwam ze zodanig tot leven dat ze alsnog gedoopt kon worden. Is hier een wonder verricht?

De doopinschrijving is afkomstig uit het R.K. doopboek van Rossum / De Lutte, en beslaat 1 1/2 pagina en beschrijft uitvoerig de handelingen van de pastoor en kapelaan. De tekst is goed leesbaar, maar aangezien ik geen noemenswaardige kennis van het latijn heb, is het niet geheel duidelijk wat er staat.
Eerste pagina: de inschrijving start halverwege.
Tweede pagina: de inschrijving beslaat de hele pagina.

Dhr. August de Man is zeer welwillend geweest om een vloeiend lopende vertaling te maken van de latijnse tekst van de inschrijving. Ik wil hem hierbij graag hartelijk voor danken. De vermelde Nederlandse tekst is zijn vertaling.

Transcriptie en vertaling

L: 29 julii [1786] Bap[tiza]ta est Euphemia, Pater Hermannus Nijland op het Stegge in Rossum, Mater Jenne Olde Vrielinck ex Rossum sine ceremoniis, et solemnitate defuncta est proles ista.
N: Op 29 juli [1786] is gedoopt Euphemia, vader Hermannus Nijland op het Stegge in Rossum, moeder Jenne Olde Vrielinck ex Rossum, en dat kind is zonder ceremoniŽn en plechtigheid overleden.

L: Ad Laudem Dei hic Nota Bene, quod tempore partus praedicta proles baptizata sit ab Obstetrice sub conditione si viveret, sed Obstetrix post obsolutum partum dicebat Reverendo Domino Sacerdoti Mulder ibi praesenti, prolem natam jam esse mortuam, cur R[everen]dus Dominus Mulder fidem Obstetrici adhibens non respexit ad prolem natam, et statim redivit domum ubi mihi infra scripto dicebat Matrem esse sine periculo mortis, sed proc dolor prolem esse mortuam.
N: Tot de lof des Heren, let goed op (wat voor opmerkelijks hier gebeurde), dat (namelijk) ten tijde van de bevalling het kind gedoopt werd door de vroedvrouw onder voorwaarde (voor als het zou blijven leven), maar de vroedvrouw zei na de voltooide bevalling tegen de eerwaarde heer priester Mulder, daarbij aanwezig, dat het geboren kind al dood was. En daarom zag de eerwaarde heer Mulder, die de vroedvrouw geloofde, niet om naar het kind, maar keerde terstond terug naar huis, waar hij mij, ondergetekende, vertelde dat de moeder buiten levensgevaar was, maar dat helaas het meisje dood was.

L: Cur ego infra scriptus statim cucuri ad aedes parentum cogitans domi et in itinere forsan juxta principia Cangiamilae de Embrijologia sacra possum prolem suscitare, si spiritum vitalem nondum amiserit (=emisserit?). Vel si proles spiritum vitalem emis[s]erit, tunc adhuc volo capere experimentum de certitudine mortis juxta principia Cangiamilae.
N: Daarom ben ik ondergetekende onmiddellijk naar het huis van de ouders gerend, omdat ik thuis en onderweg bedacht, ik kan misschien volgens de principes van Cangiamila over de Heilige Embryologie (Antwerpen 1780) het kind tot leven wekken, als het de levensgeest nog niet verloren heeft; of als het kind de laatste adem al uitgeblazen heeft, wil ik toch nog de proef nemen betreffende de zekerheid van de dood volgens de principes van Cangiamila.

L: Ecce aliquod miri; gaudeo hoc referens lectori. Quando intravi domum Hermanni Stegge in Rossum, statim dixi Obstetrici, nomine Euphemiae Kuepers ex Lempsel: ubi est nata proles: respondebat: ecce ibi est mortua proles. Quam, ego, me ajebat sub conditione statim post partum baptizavi sub conditione, si viveret.
N: Ziehier nu iets wonderbaarlijks, het doet mij plezier dit aan de lezer te vertellen.Toen ik het huis binnentrad van Herman Stegge in Rossum, zei ik direct tegen de vroedvrouw genaamd Euphemia Kuepers uit Lemsel: Waar is het geboren meisje? Zij antwoordde: kijk, daar is het dode meisje. Ik heb het, zei ze, onder voorwaarde (als het zou leven) gedoopt direct na de bevalling.

L: Tunc ego infra scriptus sumpsi accetum ex vino in ore meo, et insufflavi in ore prolis apud ignem, eodem que acceto fricavi manus et pedes infantis, quam insufflationem, et fricationem multaties repetivi.
N: Toen heb ik ondergetekende terstond wijnazijn in mijn mond genomen, en die in de mond van het kind geblazen, bij het vuur, en met dezelfde azijn heb ik de handen en voeten van het kind gewreven, en dit inblazen en wrijven heb ik vele keren herhaald.

L: Ecce. Deo sint laudes, post aliquod tempus incepit prolis, quae praesentibus videbatur esse mortua, respirare ad magnum gaudium oium praesentium.
N: Ziedaar, God zij geprezen!, na enige tijd begon het kind, dat aan de aanwezigen dood leek te zijn, te ademen, tot grote vreugde van alle aanwezigen.

L: Ac tam fortiter respirare caepit, et tam multaties, ut non solum ego infra scriptus, sed nos testes Euphemia Brilhuijs ex Rossum, et Euphemia Kuepers ex Lempsel prolis que sater sonitum pectoris distincte audire potuerimus, cur tune ego infra scriptus prolem baptizavi sub conditione sinondum esset baptizata, post collatum baptismum adhuc signa v[i]tae praedicti testes mecum advertere potuerunt.
N: En zij begon zo krachtig te ademen, en zo vaak, dat niet alleen ik ondergetekende, maar ook (wij? bedoeld "nostri" = onze?) getuigen Euphemia Brilhuijs uit Rossum, en Euphemia Kuepers uit Lemsel en de vader van het kind het geluid van de borst duidelijk konden horen, en daarom heb ik ondergetekende toen het kind gedoopt onder voorwaarde, voor als het nog niet (geldig) gedoopt was, en na het toedienen van de doop hebben de voornoemde getuigen nog steeds samen met mij de tekenen van leven kunnen waarnemen.

L: Hunc casum facti, et hoc praecedens tanquam aliquid novi ad hic in auditum libro baptismali ad Laudem Dei ego infra scriptus, ac subscriptus committere volui Hermannus Gerardus Teusse Sacellanus lecturis in Rossum.
N: Deze gebeurtenis en dit voorafgaande heb ik ondergeschrevene en ondergetekende, Hermannus Gerardus Teusse, kapelaan te Rossum, als iets waarvan men hier nog nooit gehoord heeft, aan dit doopboek, ter ere Gods, willen toevertrouwen voor de toekomstige lezers.

L: Hoc manu mea propria dedi ego Hermannus Gerardus Sacellanus in Rossum.
N: Dit heb ik eigenhandig geschreven, Hermannus Gerardus Teusse, kapelaan te Rossum